De Zen van het leven

'De Zen van het leven'

Hoofdstuk 20


Zen is 'Humor'

Een warme bevrijdende kracht die van Zen is uitgaat is het vermogen tot relativeren. Het diepe besef van het tijdelijke en vergankelijke van alles maakt de geest vrij van een krampachtig vastklampen aan bepaalde ideeŽn en waarden. In humor kan het gevaar van minachting en gebrek aan respect op de loer liggen, in de Zen-geest ligt echter een diep respect voor de hele schepping verankerd, die de mens vol dankbaarheid en verwondering in het leven plaatst. Het onderscheid tussen het heilige en profane, tussen waardevol en waardeloos, tussen goed en kwaad, is Zen echter vreemd en zij stelt dit met vaak veel humor aan de kaak.

Tanzan kwam eens op een hete dag bij een tempel en wilde zijn behoefte doen tegen een stenen boeddhabeeld. De tempelwachter kwam verstoord aanrennen en verbood hem dat.
'Vertel me vriend waar vind ik de boeddhanatuur?' vroeg Tanzan.
'De boeddhanatuur?', antwoordde de tempelwachter, 'Overal is de boeddhanatuur. Het heelal is ervan doortrokken.'
'Zeg me dan waar ik mijn behoefte wel kan doen', vroeg Tanzan.

De pijlen van de ontwapenende humor worden door de Zenmeester vooral gericht op de filosoferende geest, die alles wil grijpen en begrijpen. Bijna alle verhalen uit de koan-traditie zijn erop gericht de leerling los te weken uit zijn beperkende denkgrenzen. Een kwinkslag kan je zomaar ineens uit dat strakke denkkader laten breken en in Zen wordt daarvan dankbaar gebruik gemaakt. Een van de bekendste koans is de eerste uit de verzameling van Mumon (de Mumonkan) en toont een typisch Zen-antwoord op een intellectuele vraag. De humor komt het duidelijkst naar voren in de Chinese versie :

Een leerling vroeg aan meester Chao-chou: 'Heeft een hond ook de boeddhanatuur?'. Chao-chou antwoordde: 'Wu!'

Het antwoord behelst een ontkenning ('Wu' = niet) die zowel de vraag kan bedoelen te negeren als een ontkennend antwoord bevatten, maar bovenal is het een blaf van de hond. Deze is het namelijk die als enige gerechtigd is een antwoord op deze vraag te geven, omdat zijn eventuele boeddhanatuur alleen hemzelf aangaat. De bemoeienis van de vraagsteller zou zich moeten beperken tot diens eigen ware aard.
Elke quasi-wijsheid van leerlingen wordt door de Zenmeester genadeloos aangepakt. Schijn-weten of arrogantie is een belangrijke sta-in-de-weg voor werkelijk inzicht en de oude meesters wisten dit vaak op confronterende, maar zeer geestige manier te verwoorden. Bovengenoemde Chao-chou met name is beroemd om zijn scherpe dialogen:

Een nieuwkomer zei verontschuldigend tegen de meester: 'Ik ben hier met lege handen gekomen.' 'Leg het dan maar neer!' zei de meester. 'Maar ik heb niets bij me, hoe kan ik het dan neerleggen?' vroeg de bezoeker. 'Neem het dan maar weer mee!' zei de meester.

Vooral als het om vragen gaat naar het meest wezenlijke van zen en de leerling een fantastisch diepzinnig antwoord verwacht, schudt Chao-chou hem graag met een onverwacht antwoord wakker uit zijn droom:

Een monnik smeekte hem of hij hem het allerbelangrijkste principe van Ch'an wilde vertellen. De meester verontschuldigde zich door te zeggen: 'Ik moet nu gaan plassen. Denk er eens aan dat ik zoiets onbeduidends zelf moet doen.'

Wezenlijk bij alle Zen-humor is het onderliggende respect voor de ander en voor de hele schepping. Alleen op die voedingsbodem kunnen bloemen van ware humor bloeien. 'Humor' betekent eigenlijk vocht en het is de welkome besproeiing van een dorre en droge denkwereld. Besef dat het ontwikkelen van gevoel voor humor vaak betekent dat je allerlei onschendbare, onaantastbare waarden moet durven loslaten. Dit betekent niet een verval van normen en waarden, het duidt veeleer op het inzicht dat je geen onderscheid kunt en mag maken tussen het heilige en het profane omdat alles even goddelijk is. Dat is het wat de Zen-meesters ons proberen te vertellen met hun onnavolgbare verhalen. Relativeer dus blijmoedig alles waar je star aan vasthoudt, ontdek in je gevoeligheden voor grappen die je ongepast voorkomen welke heilige huisjes je nog overeind tracht te houden in een zoeken naar veiligheid en geborgenheid. Je diepste grond is niet verbonden met respectabele denkbeelden en eerbiedwaardige filosofieŽn. Daarmee mag je gerust de draak steken. Je diepste grond komt evenzeer tot uitdrukking in een gloedvol gebed als in het plassen op het toilet.

(Uit: 'De zen van het leven', © Jos Stollman)